
Sg. St.-Canisius
Concept Beleidsplan Internationalisering
2004 -2007
Werkgroep internationalisering
VOORWOORD
Voor u ligt het Beleidsplan Internationalisering 2004-2007 van
het Sg. St.-Canisius. Dit beleidsplan is afgelopen jaar opgesteld door de werkgroep internationalisering.
Deze werkgroep is inmiddels twee jaar bezig met het ontwikkelen van een internationaliseringbeleid op Canisius.
We verstaan onder INTERNATIONALISERING:
Onder internationalisering in ons onderwijs wordt verstaan:
activiteiten, zoveel mogelijk gebonden aan het curriculum, indien mogelijk in samenwerking met partnerscholen
(/school), waardoor leerlingen en personeel in contact komen met andere opvattingen, culturen en onderwijsstelsels
vooral binnen Europa, maar ook daarbuiten, met als expliciet doel de vergelijking van elkaars opinies en
culturen om tot een beter begrip en meer waardering te komen.
De werkgroep ziet internationalisering als een geheel van activiteiten waardoor leerlingen en/of personeel
in contact komen met andere opvattingen, culturen en onderwijsstelsels. Het doel ervan is door de confrontatie
met elkaars opinies en leefgewoonten tot een beter begrip en meer waardering voor andere culturen te komen.
Hierbij wordt de eigen cultuur verrijkt, wordt relevante kennis verworven en een brede manier van vaardigheden
geoefend.
Dit wordt het best uitgevoerd in samenwerking met één of meer partnerscholen.
Dit brede
begrip omvat dus niet alleen het meest in het oog springende onderdeel van internationalisering – de fysieke
uitwisseling van leerlingen –, maar ook aspecten als de ontvangst van bijvoorbeeld ‘leraren-in-opleiding’
uit het buitenland, (vakoverstijgende) e-mail projecten met buitenlandse leerlingen of deelname van docenten
aan Plato-reizen of andere internationale cursussen.
Vele collega’s onderhouden al jaren intensieve
contacten met partnerscholen in Europa, leerlingen uit (vooral) de bovenbouw (3GT, 4H en 5V) kennen de
werkweek in het buitenland.
Internationaliseringactiviteiten worden gesubsidieerd door de Europese
Unie in het kader van zogenaamde Comenius Projecten, een onderdeel van het Europese Socrates-II
Programma. Deze bijdragen betreffen vooral het opzetten en in stand houden van netwerken en verstrekken
van mobiliteitssubsidies hier voor. Omvangrijkere bedragen komen van het Nederlandse Ministerie van
OC&W. De aanvragen van Nederlandse scholen voor ‘Brussels’ zowel als voor Nederlandse subsidie
worden beoordeeld door het Europees Platform in Alkmaar, een instantie waarmee Sg. St.-Canisius
probeert om in de nabije toekomst een goede relatie mee op te bouwen.
Collega’s die belangstelling hebben
voor (een van de vele) aspecten van internationalisering worden van harte uitgenodigd contact op te nemen
met een van de leden van de werkgroep internationalisering.
Almelo,
De leden van de werkgroep:
Christiene Willems
Maurits Kamman
Marc Vreeswijk
Leo Kemper
Gerard Lohuis
Jos Bolscher
Inhoud:
1. Inleiding
2. Belang en doelen van internationalisering
3. De plaats van internationalisering in het onderwijs op onze school
4. Uitgangspunten bij internationaliseringcontacten
op de sector VMBO
en Havo-Vwo van Sg. St.-Canisius
5. Het internationaliseringprogramma Havo-Vwo
2004-2005
6. Het internationaliseringprogramma Vmbo 2004-2005
7. Organisatiestructuur Internationalisering
Sg St.-Canisius.
8. Tijdpad
9. Samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten
10. Bijlagen
1. Inleiding
Bij lessen in de vreemde talen, aardrijkskunde,
geschiedenis en maatschappijleer is aandacht voor andere opvattingen en culturen al van oudsher een onderdeel
van het onderwijsprogramma. De laatste jaren is de belangstelling daarvoor sterk toegenomen. Vandaag de
dag zijn onze leerlingen veel internationaler georiënteerd dan ze vaak zelf beseffen. Als zij gebruik maken
van het internet is het idee dat ze daarmee ook grenzen overschrijden bij henzelf vrijwel afwezig. Buiten
deze ontwikkelingen op communicatief / technisch gebied is de trend van een (economische) globalisering
evident. Informatie over aandelenkoersen en de invoering van de euro zijn concrete gevolgen hiervan,
die ons leven van alledag nadrukkelijk beïnvloeden. De noodzaak voor onze leerlingen om zich, naast hun Nederlandse
identiteit, ook in sociaal en cultureel opzicht meer bewust te worden van o.a. hun Europese identiteit zal
in de toekomst alleen maar belangrijker worden.
Het leren respecteren van de beginselen van democratie
en sociale rechtvaardigheid en het waarderen van de verschillende Europese en buiten-Europese beschavingen
zijn doelstellingen van elk onderwijscurriculum. En wat is een betere manier om onze leerlingen kennis te
laten maken met andere opvattingen en culturen dan door ze in contact te brengen met leeftijdgenoten van
buitenlandse partnerscholen?
In de eindtermen van de Tweede Fase voor de bovenbouwleerlingen
Havo-vwo zijn de doelen van internationalisering als volgt omschreven:
a. Internationalisering stimuleert je persoonlijke ontwikkeling, het vergroot je flexibiliteit, je stressbestendigheid en incasseringsvermogen.
b. Door internationalisering leer je het culturele erfgoed van Europa beter kennen: het is een vorm van ckv in de praktijk!
c. Internationalisering ondersteunt je in je latere studie en in de latere beroepspraktijk; de arbeidsmarkt van de toekomst is al lang niet meer beperkt tot Tubbergen, Almelo, Twente en Overijssel.
d. Internationalisering stimuleert het mondiale denken en vergroot je talenkennis.
De huidige onderwijsontwikkelingen concentreren zich globaal gezien op 3 gebieden:
- het belang van zelfstandig leren en de daarmee samenhangende Individualisering van het leerproces
- de anticipatie op de technologische ontwikkelingen (ICT) en
- leerlingen vertrouwd maken met Internationalisering.
De werkgroep ziet deze drie I’s als van het grootste belang om ook op onze school deze
drie I’s, (weleens “de Gouden Driehoek genoemd”), in samenhang met elkaar te ontwikkelen.
Gelukkig is dat geen nieuwe opdracht, want er zijn inmiddels al vele initiatieven opgestart vanuit verschillende
invalshoeken in de afgelopen jaren die beschouwd kunnen worden als de voorlopers op een deel van deze drie
gebieden. Van belang is deze positie te handhaven en verder uit te bouwen.
In deze Beleidsnota 2004-2007
geeft de school de koers aan die zij de komende jaren wil varen t.a.v. internationalisering. Internationalisering
heeft niet alleen een belangrijke vormende waarde voor de leerlingen, maar ook een stimulerende invloed
op leerlingen en docenten. In de onderwijsvernieuwingen kan zij als katalysator dienen: zij draagt er mede
toe bij dat docenten in toenemende mate “uit hun vak en uit hun lokaal” komen. Internationalisering staat
daarom niet op zichzelf; maar moet een integraal onderdeel gaan vormen van het totale onderwijskundige
beleid op onze school.
In deze beleidsnota 2004-2007 wordt allereerst (in § 2) nader ingegaan op
het belang en de doelen van internationalisering. Vervolgens wordt in § 3 de plaats geschetst van internationalisering
in het onderwijs op Sg. St.-Canisius. Hierin wordt duidelijk gemaakt dat het verstandig is om een tweesporenbeleid
te volgen voor de beide sectoren, de sector Vmbo en de sector Havo-vwo.
In de paragrafen 4 worden
de uitgangspunten van de internationale contacten van de sectoren Havo-vwo en Vmbo nader uitgewerkt. In
& 5 wordt specifiek ingegaan op het internationaliseringprogramma voor de afdeling Havo/Vwo voor het
komende schooljaar. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de onderbouw en de bovenbouw. Tevens komen
hierin de uitgangspunten van het internationaliseringbeleid in deze afdelingen aan de orde. In paragraaf
6 wordt het internationaliseringbeleid van de sector Vmbo nader uitgewerkt. In & 7 wordt nader ingegaan
op de organisatiestructuur van het toekomstige internationaliseringbeleid op onze school. Hier wordt in
het kort aangegeven welke taken behoren bij de werkgroep en de toekomstige landencoördinatoren. Voor een
gedetailleerd overzicht van de taken, vergoedingen en personele invulling wordt verwezen naar onderdeel
C van dit beleidsplan. Ten slotte wordt in & 8 ingegaan op het tijdpad van realisering en invoering
van de uitgangspunten en activiteiten genoemd in dit beleidsplan. Voor een korte puntsgewijze samenvatting
van de voornaamste beleidsuitspraken en voorgenomen activiteiten wordt verwezen naar & 9, de samenvatting.
Gehoord tijdens de cursus internationalisering in maart 2003
De ‘ideale’ I & I–school
Tijdens deze cursus
kwam de ‘ideale’ I & I-school aan de orde:
Hoe kun je een school herkennen die serieus werk
maakt van aspecten van internationalisering en
van ICT, in een geïntegreerde aanpak.
Een dergelijke school
§ heeft een afdeling met tweetalig onderwijs (TTO)
§ neemt deel aan Comeniusnetwerken
§ heeft fysieke en virtuele uitwisselingen
§ neemt deel aan internationale vakprojecten, zoals er zijn voor ANW, Nask, milieu-onderwijs,etc
§ zet ICT in ten behoeve van internationalisering
§ heeft docentenuitwisselingen
§ docenten nemen deel aan internationale cursussen, zoals Plato en Arion
Als wij er naar streven
dat onze scholengemeenschap een
dergelijke school zou kunnen en willen zijn, dan is
het de moeite
waard eens te kijken hoever wij in die
ontwikkeling zijn.
(Boj)
2. Belang en doelen van Internationalisering
2.1. Het belang van Internationalisering in zijn algemeenheid
Internationalisering is zowel van
betekenis voor de leerlingen, voor de docenten alsook voor de school als organisatie.
Leerlingen
Als het gaat om de leerlingen wordt veelal een onderscheid gemaakt in:
Docenten
De rol als begeleider van leerlingen wordt door de docenten
die deelnemen aan internationaliseringactiviteiten als zeer zinvol ervaren. De waardering voor elkaar wordt
er over en weer door gestimuleerd, maar ook daarbuiten hebben deze activiteiten een belangrijke meerwaarde.
In dat verband worden de extra mogelijkheden genoemd die zulke activiteiten bieden voor:
“Bijtanken“ in het buitenland is niet alleen verfrissend maar ook zinvol. Wat voor leerlingen
geldt, geldt natuurlijk ook voor docenten: docenten krijgen de kans zich multicultureel te oriënteren. De
ontmoetingen met collega’s en leerlingen van elders en de kennismaking met een ander onderwijssysteem levert
vaak een nieuw referentiepunt op voor de eigen onderwijspraktijk “at home“. Vaak blijkt dat de Nederlandse
situatie niet eens zo negatief afsteekt bij de rest van Europa.
Bij deze twee laatste aspecten dienen
uitdrukkelijk ook de studiereizen te worden genoemd die het Europese Platform biedt in het kader van Euroschool,
gesubsidieerd in de vorm van Plato- en Arion- beurzen.
School als organisatie
Voor de school als geheel geldt dat internationaliseringactiviteiten
2.2. Doelen van het internationaliseringbeleid op het Sg. St.-Canisius.
Van de bovenstaande argumenten voor internationalisering zijn de doelen af te leiden.
Hoofddoel is dat wij op onze school de leerlingen zo willen begeleiden in onderwijs en vorming dat zij
zich een goede uitgangspositie kunnen verschaffen in een leef- en werkgemeenschap die in toenemende mate
internationaliseert en globaliseert.
Dit betekent dat in het schoolleerplan (curriculum) voor de
leerlingen diverse activiteiten zijn opgenomen die recht doen aan deze doelstelling.
Daarnaast willen
wij personeelsleden de kans geven deel te nemen aan alle internationaliseringactiviteiten die bijdragen aan
didactische en vakinhoudelijke ontwikkeling en reflectie, mits die passen binnen de kaders van het scholingsbeleid.
Als wij ons hieronder beperken tot de internationaliseringactiviteiten voor leerlingen op onze school, betekent
het bovenstaande dat in deze activiteiten één of meer van onderstaande doelstellingen worden
gerealiseerd:
a. Europese bewustwording
Internationalisering bevordert de gedachte dat we Nederlanders én Europeanen zijn
b. Culturele bewustwording
Internationalisering maakt het mogelijk kennis te nemen van andere culturen. Hierdoor levert ze een belangrijke
bijdrage in het ontwikkelen van het inzicht in en het respect voor de waarde van die culturen. Tegelijkertijd
vergroot zij de bewustwording t.a.v. de eigen cultuur.
c. Bevordering communicatieve
vaardigheden
Internationalisering biedt de leerlingen de mogelijkheid diverse moderne vreemde talen
(maar ook de eigen taal) actief te gebruiken en functioneel te maken.
d. Gebruik van ICT
(Informatie- en Communicatie Technologie)
Internationaliseringactiviteiten vormen een stimulans voor
het gebruik van de moderne communicatietechnologieën.
e. Bevordering sociale
vaardigheden
Tijdens uitwisselingen worden leerlingen in een andere omgeving geplaatst. Internationalisering
bevordert het zich staande kunnen houden, het zich kunnen aanpassen aan en het kunnen samenwerken in deze
andere omgeving.
f. Bevordering studievaardigheden
De huidige onderwijsontwikkelingen houden in dat leerlingen niet alleen worden toegerust met kennis en inzicht,
maar op diverse terreinen ook vaardigheden ontwikkelen. Internationalisering bevordert de integratie van
vaardigheden die bij de diverse vakken zijn aangeleerd.
g. Europese en mondiale
literatuur
Internationalisering biedt aangrijpingspunten voor een verbreding van literatuuronderwijs
over de grenzen van de nationale literatuurgeschiedenis.
h. Vakinhoudelijke
ontwikkelingen
De internationale dimensie op allerlei vakgebieden wordt steeds belangrijker. Internationalisering
verruimt de mogelijkheden om vakinhoudelijk aan internationale ontwikkelingen en - vraagstukken vorm en inhoud
te geven.
3. De plaats van internationalisering in het onderwijs op onze school
3.1. Een beetje geschiedenis
Sg. St.-Canisius heeft al een behoorlijke
lange traditie met internationale buitenschoolse activiteiten. Binnen dit kader kan genoemd worden: uitwisselingen
met Uelsen, Iserlohn; werkweken naar Berlijn, Brussel en Elzas. Deelname aan internationale projecten binnen
het kader van Comenius, Twinschool enz behoren binnen dit verband ook genoemd te worden. Platoreizen en studieweken
voor docenten in het buitenland zijn een bekend fenomeen binnen onze scholengemeenschap.
Vanaf het de
tweede helft van de negentiger jaren zijn de internationaliseringactiviteiten in omvang en intensiteit toegenomen.
Helaas moeten we constateren dat van de vele buitenlandse contacten en ervaringen die zijn gelegd en opgedaan,
er weinig duurzame relaties en contacten zijn overgebleven. De reden hiervoor is volgens de werkgroep dat
in het verleden vaak sprake is geweest van spontane ad hoc initiatieven waar de nadruk niet heeft gelegen
op het opzetten van een duurzame structuur van een internationaal netwerk. Hierin proberen we in de toekomst
duidelijk verandering in te brengen.
3.2 Huidige situatieschets m.b.t. internationalisering op Sg St.-Canisius
Als we de huidige situatie bezien, is er sprake van een duidelijk gevestigde internationaliseringpraktijk
(organisatie, feitelijke projecten, traditie) op de sector Havo-vwo. Momenteel is er op de sector Vmbo sprake
van incidentele, nog niet echt gewortelde activiteiten. Een belangrijke rol daarbij speelt het feit dat de
schoolloopbaan in het Vmbo slechts vier jaar duurt en, bij een fysieke uitwisseling in de derde klas, er
sprake is van een categorie jongere leerlingen. Op zich is dit geen nieuws daar in de algemene praktijk blijkt
dat verreweg de meeste internationale contacten en projecten zich afspelen in de sectoren Havo en Vwo.
De werkgroep heeft als uitgangspunt gekozen voor een schoolbrede ontwikkeling van de drie I’s (zie pagina
3). Daarom beschouwt de werkgroep het als een grote uitdaging om het internationaliseringbeleid op Canisius
in alle geledingen en sectoren van onze scholengemeenschap te ontwikkelen en te implementeren.
Om deze redenen lijkt het verstandig om ten aanzien van internationalisering voor Sg. St.-Canisius een
tweesporenbeleid te voeren.
Daarbij gaat het in de sector Havo-vwo om een verdere uitbouw en
ontwikkeling van de internationaliseringpraktijk. En gaat het er in de sector Vmbo in eerste instantie om
internationalisering een structurele plaats te geven in het nieuwe Vmbo-programma.
4. Uitgangspunten bij internationaliseringcontacten op de sector VMBO en
Havo-Vwo van Sg. St.-Canisius
4.1. Drie voorwaarden
Als we van de in §2 genoemde
zinvolheid van internationaliseringcontacten maximaal gebruik willen maken, moet er aan een aantal voorwaarden
worden voldaan:
a. internationalisering mag niet iets vrijblijvends zijn. Dat wil zeggen dat het niet een ‘toetje’ moet zijn, maar wezenlijk onderdeel uitmaakt van het schoolcurriculum. Als het daarvan deel uitmaakt, betekent dat ook dat er verplichtingen van de leerling tegenover staan;
b. als het deel uitmaakt van het schoolcurriculum moeten er ook organisatorische mogelijkheden voor geschapen worden, d.w.z. dat het een vanzelfsprekendheid is, waarin in de schoolorganisatie rekening mee wordt gehouden.
c. er zal een longitudinale planning moeten komen t.a.v. de internationaliseringactiviteiten op onze school: welke activiteiten moeten in welk leerjaar plaatsvinden? Hoe is de opbouw van internationaliseringactiviteiten, waar werken we naar toe en hoe? Er moet sprake zijn van een structuur die betiteld kan worden als: “doorlopende leerlijnen internationalisering.”
4.2. Verdere uitwerking van deze voorwaarden
a. Internationalisering
is een wezenlijk onderdeel van het schoolcurriculum
De vraag is hoe je vorm geeft aan het uitgangspunt
‘wezenlijk onderdeel uitmaken van het schoolcurriculum’. Het is wel duidelijk dat internationalisering en
uitwisselingen heel iets anders zijn dan ‘vakantiereisjes’ (zowel naar inhoud als periode). Maar impliceert
dat ook dat alle leerlingen verplicht worden om mee te doen aan bepaalde internationaliseringverplichtingen?
Het antwoord is duidelijk: neen.
Het lijkt ons niet verstandig om een dergelijke verplichting in te
voeren. Niet alleen wordt daardoor afbreuk gedaan aan de motivatie voor en het succes van de internationaliseringprojecten,
maar bovendien zijn deze internationaliseringactiviteiten juist bij uitstek geschikt om vorm te geven aan
individuele invullingen van het studieplan van leerlingen. Oftewel: juist aan internationaliseringactiviteiten
kan op allerlei wijzen vorm gegeven worden.
In het bijzonder de vernieuwde VMBO en de (toekomstige
vernieuwde ) Tweede Fase Havo-Vwo bieden inhoudelijk, en wellicht ook al organisatorisch, veel mogelijkheden
om internationalisering op allerlei plaatsen aan de orde te laten komen. In het bijzonder denken we daarbij
aan internationalisering als een van de varianten van de praktische opdrachten bij de diverse vakken. Maar
daarnaast ook als een van de varianten van spreek- en schrijfvaardigheid -opdrachten bij moderne vreemde talen
of Nederlands. En dan hebben we het niet nog niet eens over de mogelijkheden bij vakken als CKV of ANW en
de zaakvakken.
Uitdrukkelijk wordt er naar gestreefd om internationalisering inhoudelijk in alle
afdelingen een duidelijke plaats te geven in het bestaande lesprogramma, maar buiten dat dient deelname aan
een uitwisseling ook een aantal persoonlijke en maatschappelijke doelen die onze school voor de ontwikkeling
van onze leerlingen van belang acht. In de bovenbouw VMBO en Havo-Vwo bieden we daarom internationalisering
primair aan als keuzemodule.
Door internationalisering zowel in onder- als bovenbouw een duidelijke
plaats te geven in vakken, wordt ook gewerkt aan een algemeen draagvlak onder de docenten op onze school.
Veel aandacht zal daarbij moeten worden besteed aan de zgn. ‘passieve gedogers’, de groep docenten die zich
enerzijds wel kunnen indenken dat internationaliseringactiviteiten nuttig zijn, maar anderzijds bang zijn
dat deze ten koste zullen gaan van ‘hun’ vaktijd. Behalve door hen / hun secties te vragen naar genoemde
vakopdrachten, is het ook zinvol om juist hen uit te nodigen om deel te nemen aan fysieke en virtuele uitwisselingen.
b. Schoolorganisatie
en internationalisering
De invoering van de vernieuwingen in het VMBO en de toekomstige vernieuwingen
van de Tweede Fase hebben gezorgd (zullen gaan zorgen) voor nieuwe organisatorische kaders. Het is van belang
internationalisering hierin een duidelijke plaats te geven. Dat geldt zowel voor de studielast waarmee de
internationaliseringactiviteiten worden gewaardeerd, de eisen die aan de leerlingen worden gesteld, als de
organisatorische voorwaarden voor een en ander. Vooral de planning in het jaar van dit soort activiteiten,
blijkt vaak een heikel punt te zijn.
c. Internationaliseringactiviteiten
voor leerlingen gezien op lange termijn: van virtuele naar fysieke uitwisseling
Internationalisering
als onderdeel van het bovenbouwprogramma sluit aan op de meeste activiteiten uit het verleden. Deze vonden
vaak in principe plaats in de voorexamenklassen, de leerjaren 3 Vmbo, 4Havo en 5Vwo. Bestaande contacten met
de huidige partnerscholen kunnen als belangrijke basis dienen voor de verdere uitbouw en invulling van het
internationaliseringprogramma in de verschillende afdelingen van onze scholengemeenschap. Maar daarnaast zal
er sprake moeten zijn van een longitudinale opbouw; er zal een opbouw moeten zijn bij de internationaliseringcontacten
in de verschillende leerjaren. Daarbij zien wij de fysieke uitwisseling als de ‘hoogste’ vorm. Wij stellen
ons voor dat deze in eerdere leerjaren voorafgegaan wordt door diverse vormen van virtuele uitwisseling, eventueel
vergezeld van korte vormen van fysieke uitwisseling (korte periode, korte afstand), met andere woorden:
de leidraad wordt van virtuele naar fysieke uitwisseling.
5. Het internationaliseringprogramma Havo-Vwo 2004-2005
5.1. Internationalisering in de onderbouw
5.1.1. Beleid
In de opbouw naar fysieke uitwisseling in de bovenbouw staan in de onderbouw vooral virtuele contacten centraal.
Dat betekent dat er veel aandacht besteed moet worden aan de vraag hoe de computer en andere telecommunicatiemiddelen
bij internationalisering worden ingezet. Naast deze virtuele contacten vinden we het ook belangrijk dat er
in de lessen mogelijk in projectvorm aandacht wordt besteed aan diverse thema’s die als voorbeeld kunnen dienen
van actuele internationale vraagstukken. Als we in de komende jaren een definitief programma willen ontwikkelen,
zullen we moeten starten met een inventarisatie van de mogelijkheden op onze eigen school en het zoeken van
een aantal partners meer in Europa. Uiteraard informeren we daarvoor eerst bij onze huidige partnerscholen.
De virtuele activiteiten zullen in de experimentele fase in bepaalde klassen plaatsvinden; hierna kunnen zij
een geheel leerjaar betreffen. In deze experimentele periode moet ook bezien worden welke periode(s) van het
schooljaar het meest geschikt is (zijn) voor deze activiteiten.
Ook bij eventuele korte fysieke uitwisselingen
gaan we uit van het principe van vrijwillige deelname: leerlingen van een bepaald leerjaar kunnen zich voor
deze uitwisselingen inschrijven en de projectcoördinator bepaalt uiteindelijk wie er mee (kunnen of mogen)
gaan.
(Voor de duidelijkheid: bij onderbouw spreken we van projectcoördinator, bij de bovenbouw
van landencoördinator.)
5.1.2. Concrete invulling 2004-2005
(Nog in te vullen: Jaaractiviteitenplan Havo-Vwo.)
5.2.Internationalisering in de bovenbouw
5.2.1. Beleid
Willen wij conform de doelstelling zoals genoemd in § 2.2 leerlingen voorbereiden op een toekomst waarin wonen,
studeren en werken in Europa, maar ook aandere delen van de wereld, normaal zal zijn en willen we werken aan
een vergroting van de kennis van andere culturen en leefgewoonten, dan dienen wij te denken aan de volgende
mogelijkheden in de bovenbouw:
a. Leerlingenuitwisselingen
b. Gemeenschappelijke
onderwijsprojecten
c. Internationale sportieve en culturele activiteiten
d. Culturele
excursies
e. Loopbaanoriëntatie
Als we deze activiteiten geheel of gedeeltelijk ten
uitvoer willen brengen, dan moet aan een aantal inhoudelijke en randvoorwaardelijke zaken worden voldaan;
de plaats van internationalisering in de Tweede Fase moet inhoudelijk en organisatorisch duidelijk zijn.
Daartoe worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. De fysieke uitwisseling is een mogelijkheid
die de sector Havo-vwo wil bieden aan zoveel mogelijk leerlingen in de bovenbouw, waar voor hen plichten
tegenover staan:
‘mogelijkheid’ betekent dus geen recht, maar ook geen plicht ‘zo veel mogelijk leerlingen’
betekent dus niet alle leerlingen ‘plichten’ omvatten in ieder geval fatsoenlijk gedrag;
daarnaast de
verplichtingen die door de organisatoren en/of vakdocenten worden gesteld.
Die verplichtingen omvatten
een deelnemersdagboek en kunnen praktische opdrachten omvatten. Een en ander dient te geschieden conform
de studielast zoals aangegeven in de Tweede Fase. De mogelijkheden die wij als school kunnen aanbieden zijn
natuurlijk ook afhankelijk van de mogelijkheden die de buitenlandse partnerscholen ons kunnen bieden. Vergroting
van het netwerk is niet een zaak die in korte tijd gerealiseerd kan worden.
2. De fysieke uitwisseling
heeft in principe plaats in de leerjaren H4 en V5, dus in principe niet in eindexamenjaren.
3. de studielast bedraagt 80 uur voor actieve deelname aan een uitwisseling.
Deze studielast omvat zowel bezoek als tegenbezoek, inclusief het uitwerken van het (persoonlijk) verslag.
4. Leerlingen mogen hun maximale studielast overschrijden door deelname aan internationaliseringsactiviteiten.
5. De studielast die internationalisering oplevert, kan door de leerlingen verhoogd worden door het verrichten
van praktische opdrachten tijdens de uitwisseling, al dan niet in groepsverband.
De afdelingsleiding vraagt aan een aantal bovenbouwsecties minimaal 1 uitgewerkte vakopdracht die tijdens
uitwisselingen gedaan kan worden. Voor de hand ligt dat die secties uitgenodigd worden die landencoördinatoren
leveren, die meegaan met een uitwisseling.
Voor het voldoen aan deze vakopdrachten staat ook een bepaalde
studiebelasting; de secties moeten die dus ook aangeven. In dit kader moet zeker gedacht worden aan schrijfvaardigheid
en spreekvaardigheidonderdelen van de moderne vreemde talen. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden – in PTA-kader
– voor ckv, anw, aardrijkskunde, geschiedenis, klassieke talen, economie, etc. Ook valt te denken aan activiteiten
in het kader van loopbaanoriëntatie in internationaal perspectief. Secties kunnen ook de wenselijkheid van
bepaalde internationale culturele excursies aangeven. Een dergelijke inbedding in vaksecties lijkt ons van
groot belang voor een voldoende groot en blijvend draagvlak voor internationalisering.
6. De koppeling met bepaalde periodes in het jaar bijvoorbeeld specifieke activiteitenweken, wordt losgelaten.
Concreet betekent dit onder meer dat afgesproken wordt dat:
Voor alle duidelijkheid zij vermeldt dat het niet zo hoeft te zijn dat hele leerjaren
of clusterklassen betrokken zijn bij een specifieke uitwisseling. Vaak zal de praktijk zo zijn dat er per
klas / groep slechts enkele leerlingen in de les gemist zullen worden.
Omdat de uitwisselingen
in verschillende perioden gedurende het schooljaar kunnen plaatsvinden, betekent dit dat de deelnemende
leerlingen lessen zullen missen.
Het is verstandig om de leerlingen en hun ouders een contract te laten
tekenen waarin staat dat de leerlingen verantwoordelijk zijn en zelf initiatieven nemen voor het bijwerken
van de andere lessen. In dit contract kunnen ook elementaire verwachtingen en verplichtingen omschreven worden.
6. Het internationaliseringprogramma Vmbo 2004-2005
6.1. Internationalisering in de onderbouw Vmbo
6.1.1. Beleid
In de opbouw naar fysieke
uitwisseling in de bovenbouw staan in de onderbouw vooral virtuele contacten centraal. Dat betekent dat er
veel aandacht besteed moet worden aan de vraag hoe de computer en andere telecommunicatiemiddelen bij internationalisering
kunnen worden ingezet.
Als we in de komende jaren een definitief programma willen ontwikkelen, zullen
we moeten starten met een inventarisatie van de mogelijkheden op onze eigen school en het zoeken van partners
in Europa. Uiteraard kijken we hiervoor eerst bij onze huidige partnerscholen en bij de partnerscholen van
de sector Havo-vwo.
De virtuele activiteiten zullen in de experimentele fase in bepaalde klassen plaatsvinden;
hierna kunnen zij een geheel leerjaar betreffen. In deze experimentele periode moet ook bezien worden welke
periode(s) van het schooljaar het meest geschikt is (zijn) voor deze activiteiten.
Ook bij de korte
fysieke uitwisselingen gaan we uit van het principe van vrijwillige deelname: leerlingen van een bepaald
leerjaar kunnen zich voor deze uitwisselingen inschrijven en de projectcoördinator bepaalt uiteindelijk wie
er mee (kunnen of mogen) gaan.
(Voor de duidelijkheid: bij onderbouw spreken we van projectcoördinator,
bij de bovenbouw van landencoördinator.)
6.1.2. Concrete invulling 2004-2005
Zie hiervoor onderdeel B van het beleidsplan.
6.2. Internationalisering in de bovenbouw Vmbo
6.2.1. Beleid.
Willen wij conform
de doelstelling zoals genoemd in 2.2 leerlingen voorbereiden op een toekomst waarin wonen, studeren en werken
in Europa normaal zal zijn, en werken aan een kennis vergroting van andere culturen en leefgewoonten, dan
dienen wij te denken aan de volgende mogelijkheden in de bovenbouw:
a. Leerlingenuitwisselingen
b. Gemeenschappelijke onderwijsprojecten
c. Internationale sportieve en culturele activiteiten
d. Culturele excursies
e. Loopbaanoriëntatie
Als we deze activiteiten geheel of gedeeltelijk ten uitvoer willen
brengen, dan moet aan een aantal inhoudelijke en randvoorwaardelijke zaken worden voldaan; de plaats van
internationalisering in de Tweede Fase moet inhoudelijk en organisatorisch duidelijk zijn.
Daartoe worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. de fysieke uitwisseling is een mogelijkheid die de sector Vmbo wil bieden aan zoveel mogelijk leerlingen in vooral leerjaar 3, waar voor hen plichten tegenover staan
· ‘mogelijkheid’ betekent dus geen recht, maar ook geen plicht.
· ‘zo veel mogelijk leerlingen’ betekent dus niet alle leerlingen.
· ‘plichten’ omvatten in ieder geval fatsoenlijk gedrag;
daarnaast de verplichtingen die door de organisatoren en/of
vakdocenten worden gesteld.
Die verplichtingen omvatten een projectboek en/of kunnen praktische opdrachten
omvatten. De mogelijkheden die wij als school kunnen aanbieden is natuurlijk ook afhankelijk van de mogelijkheden
die buitenlandse partnerscholen te bieden hebben.
2. de fysieke uitwisseling heeft plaats in de leerjaren (2 en) 3 Vmbo, dus niet in het eindexamenjaar
3. de leerlingen kunnen
een verslag maken in de vreemde taal;
dat verslag kan gelden als Praktische Opdracht. In dat geval kan
de studielast (voorbeeld!) maximaal 2 x 10 uur bedragen.
4. De koppeling met bepaalde periodes in het jaar zoals de maand mei, met daarin verschillende activiteiten wordt losgelaten. Concreet betekent dit onder meer dat afgesproken wordt dat:
· de internationaliseringactiviteiten het gehele schooljaar door zullen worden uitgevoerd;
· er wordt uitgegaan van een groepsgrootte van ongeveer 25 leerlingen
· deze leerlingen afhankelijk van reisdoel en thema uit verschillende klassen van het Vmbo kunnen komen
· er wordt uitgegaan van 1 begeleider per 10 leerlingen
· de landen-/projectcoördinatoren draaiboeken op schrift stellen van hun activiteiten, zodat die direct overdraagbaar zijn.
Voor alle duidelijkheid zij vermeldt dat het niet zo hoeft te zijn dat hele leerjaren of clusterklassen betrokken zijn bij een specifieke uitwisseling. Vaak zal de praktijk dan zo zijn dat er per klas / groep slechts enkele leerlingen in de les gemist zullen worden.
5. omdat de uitwisselingen
het gehele schooljaar door kunnen plaatsvinden, betekent dit dat de deelnemende leerlingen lessen zullen missen.
Het is verstandig om de leerlingen (en hun ouders) een schriftelijk afspraak /contract te laten ondertekenen
waarin staat dat de leerlingen verantwoordelijk zijn en zelf initiatieven nemen voor het bijwerken van de
andere lessen. In dit contract kunnen ook elementaire verwachtingen en verplichtingen omschreven
worden.
6.2.2. Het jaaractiviteitenplan Vmbo –bovenbouw 2004.
Zie hiervoor onderdeel B van het beleidsplan.
7. Organisatiestructuur Internationalisering Sg.St.-Canisius.
|
Havo VMBO VWO
Project en landen-coördinatoren
Project en landen-coördinatoren
Project en landen-coördinatoren
Taakomschrijving Werkgroep Internationalisering Sg St.-Canisius
Taakomschrijving van de landencoördinatoren:
Noot:Voor een uitvoerige beschrijving van de taken van de coördinator en de leden van
de werkgroep wordt verwezen naar onderdeel C van dit beleidsplan.
8. Tijdpad.
Dit beleidsplan kent een periode van 2004 t/m
2007. Uitgaande van onderwijskundige veranderingen die de komende jaren zowel in de onderbouw als in de
bovenbouw op ons af komen lijkt het de werkgroep verstandig om de komende jaren te gebruiken om het beleidsplan
organisatorisch en beleidsmatig goed neer te zetten zodat we over enkele jaren een goede en overzichtelijke
organisatie hebben ontwikkeld dat als stevig fundament kan dienen voor het internationaliseringbeleid van
St.-Canisius.
In dit licht bezien heeft de werkgroep gekozen voor het volgende tijdpad:
|
Schooljaar |
Welke activiteiten? |
Wie? |
|
2003-2004 |
1. Opstellen beleidsplan |
1. Werkgroep int.2. Teams, directie, Mr. |
|
2004-2005 |
1. Ontwikkelen van speerpunten |
1. Werkgroep int. |
|
2005-2006 |
1. Uitwisselingsscholen Vmbo, Havo en Vwo |
1. Werkgroep int. |
|
2006-2007 |
1. Netwerk internationale scholen is compleet |
1. Werkgroep int. |
|
2007-2008 |
1. Evaluatie Beleidsplan |
1. Werkgroep + directie, teams |
9. Samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten: